woensdag 1 juli 2015

Interview met nieuwe hoogleraar Tamara van Gog

Sinds 1 april dit jaar is Tamara van Gog hoogleraar Onderwijswetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Een studente Onderwijskunde interviewde haar en doet voor dit blog verslag.

Wat fijn dat u tijd vrij wilde maken voor dit interview! De eerste vraag die ik wil stellen, ligt wat voor de hand, maar ik ben toch benieuwd naar uw antwoord. Kunt u kort iets vertellen over uzelf, uw eerder opgedane werkervaring en de onderwerpen waar u onderzoek naar heeft gedaan en doet?

“Natuurlijk! Ik heb Onderwijspsychologie gestudeerd aan de Universiteit van Tilburg. Daarna ben ik gepromoveerd aan de Open Universiteit (OU). In mijn promotieonderzoek onderzocht ik instructieontwerp en dan met name het verschil tussen leren aan de hand van verschillende typen uitgewerkte voorbeelden – ook wel worked examples genoemd – die tonen hoe je een leertaak uitvoert, en leren door zelf te oefenen met die taak. Vervolgens ben ik aan de OU blijven werken als universitair docent, met een korte onderbreking van acht maanden waarin ik werkzaam ben geweest als gastonderzoeker aan het Knowledge Media Research Center in Tübingen (Duitsland). Na mijn tijd aan de OU heb ik vijfenhalf jaar met veel plezier gewerkt bij het Instituut voor Psychologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam. En nu ben ik hoogleraar in Utrecht.


Mijn onderzoek was en is vooral gericht op instructieontwerp. Dit onderzoeksonderwerp heeft grote raakvlakken met de toegepaste cognitieve psychologie, omdat ook vragen als ‘Hoe werken de hersenen?’ en ‘Hoe kunnen we in instructie rekening houden met de beperkingen van het werkgeheugen?’ aan bod komen. Ik doe veel onderzoek naar multimedia leren en zelfgestuurd leren met die verschillende media.”

Ik heb me laten vertellen dat het blog gelezen wordt door een zeer diverse groep lezers, waaronder studenten, alumni, collega-onderzoekers, medewerkers van de afdeling Educatie en mensen die geïnteresseerd zijn in onderwijs. Ik zou elk van deze vijf lezersgroepen in dit interview aan het woord willen laten komen, en dus volgt voor elke groep een vraag die bij hen zou kunnen leven.

Ik wil graag beginnen met de lezersgroep die ik zojuist als laatste noemde: alle bloglezers die zelf niet direct bij de studie Onderwijskunde betrokken zijn of waren, maar wel geïnteresseerd zijn in onderwijs. Bijna vijftien jaar geleden, in augustus 2001, ontving u uw diploma van de master Ontwikkelings- en Onderwijspsychologie aan de Universiteit van Tilburg. Wat is uws inziens de belangrijkste verandering die sindsdien heeft plaatsgevonden in het Nederlandse onderwijs? 

“Poeh, dat is een moeilijke vraag! Ik denk dat een belangrijke ontwikkeling die sinds 2001 heeft plaatsgehad, de inzet van ICT in het onderwijs is. Scholen zijn tegenwoordig veel beter uitgerust met bijvoorbeeld computers, laptops en digiborden dan eerder het geval was. In dat opzicht is er een flinke slag gemaakt. Ik zie echter wel dat veel docenten nog op zoek zijn naar manieren om ICT op een zinvolle manier in te zetten. Neem bijvoorbeeld instructiefilmpjes. In sommige van die filmpjes is alleen het schoolbord of de hand van de leerkracht in beeld, terwijl in andere de gehele leraar zichtbaar is. Maar ook binnen die laatste categorie bestaan weer verschillen. Zo zijn er filmpjes waarin de docent recht in de camera kijkt, en filmpjes waarin dat niet het geval is. Het is niet moeilijker of duurder om het ene of het andere instructiefilmpje te maken, maar er zijn mogelijk wel verschillen in effectiviteit. Veel vragen over effectiviteit en motivationele effecten zijn echter nog onbeantwoord, dus op dit gebied is nog veel werk te verzetten.”

Dan een vraag namens de medewerkers van de afdeling Educatie. Ik neem aan dat zij u wel van gezicht en bij naam kennen, maar nog weinig weten over uw professionele ontwikkeling. Daarom zou ik daar een vraag over willen stellen. Uw allereerste publicatie is uit het jaar 2004. Toen schreef u samen met Fred Paas en Jeroen van Merriënboer een artikel met de titel Process-oriented worked examples – Improving transfer performance through enhanced understanding. In welk opzicht zijn uw interesses sindsdien veranderd?

“De onderwerpen die ik onderzoek, zijn nauwelijks veranderd. Wel zijn er veel bijgekomen! Ik zal twee voorbeelden noemen.

Ook na mijn promotie ben ik onderzoek blijven doen naar uitgewerkte voorbeelden. Tijdens mijn promotieonderzoek was de vraag of deze voorbeelden niet effectiever zouden zijn wanneer niet alleen de te zetten stappen zouden worden opgesomd, maar ook het achterliggende denkproces zou worden uitgelegd. Experts hebben dat denkproces echter geautomatiseerd en hebben er vaak moeite mee om aan een leerling die geen voorkennis heeft, uit te leggen wat nu precies de gedachtegang achter de verschillende stappen is bij het uitvoeren van een taak. (Dat geldt overigens tevens voor sommige leerkrachten: ook zij zijn inhoudelijk expert, hoewel ze over meer didactische kennis beschikken.) Ik ben toen gaan onderzoeken of het terugzien van opnamen van hun oogbewegingen (eye tracking) tijdens het oplossen van een probleem, experts helpt om hun denkproces te beschrijven. Nog steeds doe ik veel onderzoek met eye tracking. Hoewel het destijds nog ‘slechts’ een middel was om denkprocessen te onderzoeken om betere instructie te kunnen ontwerpen, onderzoeken mijn collega’s en ik nu ook het directe gebruik van eye tracking in instructie. Het gaat dan bijvoorbeeld om instructie door middel van uitgewerkte voorbeelden waarin niet alleen te zien is wat een expert doet, maar ook waar hij of zij naar kijkt.


Een ander onderwerp waar ik mij pas later in mijn academische carrière mee bezig ben gaan houden, is kritisch denken en het (verbeteren van het) klinisch redeneren van medici. Zo onderzoek ik de redeneerlijnen van artsen die al dan niet in opleiding zijn, de fouten die daarin kunnen ontstaan en de manieren waarop die fouten geremedieerd kunnen worden door middel van instructie en reflectie.”

U bent erg succesvol in het verwerven van persoonlijke subsidies. Zo kon u werkzaam zijn als gastonderzoeker in Duitsland dankzij een NWO Rubicon subsidie en ontving u in 2008 de Veni en in 2012 de Vidi Grant. Ik kan me voorstellen dat uw collega-onderzoekers ook graag zulke subsidies zouden willen verwerven. Heeft u tips voor hen?

“Allereerst zou ik hen aanraden om zich te oriënteren op de ondersteuning die er binnen de Universiteit Utrecht geboden wordt aan onderzoekers die willen proberen om hun onderzoeksvoorstellen gefinancierd te krijgen. Zo is er bijvoorbeeld een mooie fact sheet met daarop vele do’s en don’t’s verkrijgbaar. Ook zou ik hen adviseren om te rade te gaan bij onderzoekers die in het verleden een beurs ontvangen hebben – juist ook bij onderzoekers buiten hun eigen vakgebied – en te vragen of ze hun aanvraag mogen bekijken. In een onderzoeksvoorstel is het namelijk erg belangrijk dat je een evenwicht weet te vinden tussen diepgang enerzijds en toegankelijkheid anderzijds. Het kan dan helpen om naast voorstellen uit je eigen vakgebied ook eens een goedgekeurd onderzoeksvoorstel van bijvoorbeeld een antropoloog te bestuderen, omdat je dan goed kunt letten op de vorm, de structuur en de manier van schrijven en minder gericht bent op de inhoud. Die zegt jou immers niet zoveel. Verder zou ik de tip willen geven om op tijd te beginnen. Ik vind het zelf erg prettig wanneer je – nadat je tevreden bent over de inhoud van je onderzoeksvoorstel – nog een maand de tijd hebt om die toegankelijk te verwoorden. Ten slotte zou ik mijn collega-onderzoekers willen aanraden om hun voorstellen vooral in te dienen, ook wanneer de kans klein is dat deze gefinancierd worden. Je kunt namelijk alleen succesvol worden door ook  heel vaak te falen!”

Verder een vraag namens alle alumni die het blog lezen. Ik vermoed dat de meesten van hen geen onderzoek doen, maar werkzaam zijn als onderwijskundig adviseur of onderwijskundig ontwerper en zich daarom nauwelijks iets kunnen voorstellen bij de dagelijkse werkzaamheden van een hoogleraar. Voor hen de vraag: hoe ziet uw gemiddelde werkdag eruit?

“Tsjonge, dat is een lastige vraag. Het werk van een hoogleraar is namelijk heel afwisselend, maar juist die variatie maakt het zo leuk! Ik kan wel een opsomming geven van de verschillende werkzaamheden waar ik me mee bezighoud. Ik doe onderzoek (dankzij de Vidi Grant heb ik daar meer tijd voor dan de gemiddelde hoogleraar), begeleid momenteel tien promovendi en één postdoc, schrijf onderzoeksvoorstellen, geef onderwijs, zit in verschillende landelijke commissies en programmaraden op het gebied van onderwijs(onderzoek), deel mijn onderzoeksbevindingen door middel van lezingen voor zowel collega-wetenschappers als mensen die werkzaam zijn in de onderwijspraktijk, opponeer in promotiecommissies en bezoek conferenties en congressen. Wat het geven van onderwijs betreft: vanaf september zal ik daar meer tijd aan gaan besteden dan nu het geval is. Ik zal dan voornamelijk in de research master doceren en waarschijnlijk ook enkele onderdelen van vakken in de bachelor en academische master voor mijn rekening nemen. Doceren binnen het Utrechtse onderwijssysteem zal voor mij overigens nog een vrij nieuwe ervaring zijn. Aan de Open Universiteit en de Erasmus Universiteit werken ze namelijk met afstandsonderwijs respectievelijk probleemgestuurd onderwijs, en dat gaat toch net even iets anders!”

Ten slotte een vraag namens de lezersgroep waar ik zelf toe behoor: de studenten. Hiervoor hebt u beschreven welke werkzaamheden u als hoogleraar vervult, waaronder het geven van onderwijs. Studenten die de studie Onderwijskunde volgen, zullen dus waarschijnlijk nog les van u krijgen. Maar wat gaat uw hoogleraarschap verder voor hen betekenen?

“Ik zal mijn expertise gaan inbrengen in het onderwijsprogramma. Heel concreet betekent dit dat de inhoud van sommige vakken mogelijk iets zal wijzigen en dat er stage- en scriptieopties zullen worden aangeboden die in lijn zijn met mijn onderzoek. Een tweede ontwikkeling waaraan ik vanuit mijn expertise kan bijdragen, is dat er in het onderwijsprogramma meer ruimte komt voor E-learning. De universiteit wil daar meer op inzetten én we hebben verschillende onderzoekers in huis die onderzoek doen naar dat onderwerp, bijvoorbeeld universitair hoofddocent Onderwijskunde Jeroen Janssen en hoogleraar Onderwijswetenschappen Liesbeth Kester. Daarom is het niet onwaarschijnlijk dat E-learning in de nabije toekomst een belangrijkere rol gaat spelen in de opleiding Onderwijskunde.”

Hartelijk bedankt voor uw antwoorden! Ik vond het erg leuk om met u kennis te maken en hoop dat u zich – voor zover dat nog niet het geval is – helemaal thuis zult gaan voelen aan de Universiteit Utrecht.

Nieuwsgierig geworden? Meer informatie over Tamara van Gog en haar onderzoek is te vinden via de volgende link: http://www.uu.nl/medewerkers/TAJMvanGog