donderdag 28 maart 2013

Een placebo-effect bij een kennistest

Iedereen kent het placebo-effect. Het is een fenomeen uit de geneeskunde dat je misschien nog het beste kunt typeren als 'de kracht van geloof'. In sommige gevallen is het om je beter te voelen of om zelfs te genezen voldoende om een pil te slikken, ook al bevat die pil geen werkzame stof. Het effect is zo sterk dat huisartsen er regelmatig gebruik van maken. Ze schrijven dan bijvoorbeeld antibiotica voor als er sprake is van een eenvoudige virusinfectie (zie een recent artikel in de Daily Mail). De patiënt keert tevreden huiswaarts, want 'de pillen zullen hun werk wel doen'.
Hoe kan het dat placebo's werken? Er zijn twee verklaringen, die beide een redelijk gelijkwaardige rol lijken te spelen. Ten eerste creëer je met het toedienen van een placebo een verwachting. Daardoor richt degene die het placebo ontvangt zich niet meer op ziekte-symptomen maar veel meer op symptomen die met genezing te maken hebben. Met de pil verleg je dus iemands aandacht. De tweede verklaring heeft met conditioneren te maken. Uit eerdere ervaringen weet je lichaam dat het slikken van pillen geassocieerd is met lichamelijk herstel. Je lichaam heeft dus geleerd hoe het reageert op pillen, en wat voor pil je ook slikt, er volgt een herstelreactie.
Ulrich Weger
Zou het placebo-effect alleen optreden bij het slikken van pillen, of zou het ook in andere situaties kunnen optreden, bijvoorbeeld als het gaat om kennis? Die intrigerende vraag is het onderwerp van een onderzoek dat recent is gepubliceerd in The Quarterly Journal of Experimental Psychology. Het is een samenwerkingsproject van Ulrich Weger en Stephen Loughnan, verbonden aan universiteiten in Duitsland en Australië. Weger en Loughnan beschrijven een experiment dat zij uitvoerden waarin psychologiestudenten op de computer een test voor algemene kennis maakten. De test bestond uit twintig vierkeuzevragen, en de vragen waren van het niveau "Wie schilderde de Guernica?" (Picasso, Dali, Miro, of El Greco). Tweemaal twintig studenten deden mee, en zij werden willekeurig verdeeld over twee condities: een placeboconditie en een controleconditie. De crux zit natuurlijk in de experimentele procedure die studenten in beide condities ondergingen, met name de placeboconditie. Er werd een heel specifieke procedure uitgevoerd in drie stappen.
  1. Opwarmfase. Net voordat voorbeeldvragen op het scherm verschenen verscheen eerst het juiste antwoord op het scherm. Als proefpersoon hoefde je dan dus eigenlijk alleen maar een check uit te voeren.
  2. Callibratiefase. De tijd dat het juiste antwoord op het scherm verscheen werd geleidelijk ingekort, naar zo kort dat de antwoorden niet meer leesbaar waren. Tegen proefpersonen werd gezegd dat de woorden onbewust nog wel verwerkt werden (en daarvoor is ook bewijs vanuit de psychologische literatuur over 'priming'). Zodra dit moment bereikt was begon het echte experiment.
  3. Experimentfase. Het correcte antwoord flitste voorafgaand aan elke vraag kort in beeld. Tenminste, dat dachten de goed opgewarmde en gecallibreerde proefpersonen. In werkelijkheid flitste telkens een willekeurige reeks letters in beeld voorafgaand aan elke vraag.
De controleconditie was in dit experiment vrijwel gelijk aan de experimentconditie, op 1 detail na: de studenten in deze conditie kregen niet te horen dat ze 'onbewust geprimed' zouden worden met het juiste antwoord, maar dat ze alleen een korte flits zouden zien voorafgaan aan een vraag om zo de vraag aan te kondigen. De verwachting van de onderzoekers was dat als er een succesvol placebo-effect zou optreden, studenten in de experimentconditie hoger zouden scoren dan studenten in de controleconditie. Net zoals een pil zonder werkzame stof invloed kan hebben op het herstelproces zou een instructie zonder werkzaam bestanddeel dan invloed op de cognitieve prestatie hebben. Dat is precies wat zij vonden. Studenten in de experimentconditie scoorden op de test gemiddeld 9,85 (standaarddeviatie 1,87) en studenten in de controleconditie gemiddeld 8,37 (standaarddeviatie1,77), een statistisch significant verschil. (overigens, de onderzoekers zeggen hier niets over, maar ik vind de behaalde scores in beide condities aan de lage kant!)
Weger en Laughnan verklaren in hun discussie dit mooie resultaat door te wijzen op het verminderen van inhibitie in de placebo-conditie. Normaal zijn mensen terughoudend als ze twijfelen over het juiste antwoord op een vraag. Als je het idee hebt 'ik ben geprimed!', dan zou die terughoudendheid wel eens minder kunnen worden. Het zou aardig zijn om te onderzoeken of je dit effect kunt repliceren in andere situaties waarin verwachtingen over je eigen prestaties een rol spelen, bijvoorbeeld het bekende 'stereotype threat'.
Aantonen dat de verwachting van een proefpersoon invloed heeft op de resultaten op een kennistoets is een interessante en waardevolle bevinding. Wat  echter naar mijn idee vooral waardevol is aan het onderzoek van Weger en Loughnan is niet per se het onderzoek zelf, maar meer de vragen die het oproept. Zij openen een nieuwe weg naar onderzoek naar verwachtingseffecten met hun onderzoekstaak (bijvoorbeeld: hoe lang blijft zo'n placebo-effect 'hangen', en: naar welke cognitieve taken kun je dit nog uitbreiden?). De experimentele manipulatie die de onderzoekers introduceren geeft onderwijsonderzoekers een krachtig instrument in handen.



Bronnen