maandag 2 april 2012

De zin en onzin van schoolreisjes

Een busongeval in Zwitserland van enige tijd geleden eiste 28 levens. Het ging om kinderen en hun leerkrachten die terugkwamen van een schoolreisje. In Belgiƫ is het niet ongebruikelijk dat de hele klas een week op wintersport gaat, lazen we later. Dat leidde in Nederland tot reacties als "Waar is dat nou weer voor nodig?" Onvermijdelijk is ook dat in de nasleep van het drama niet elke ouder zijn kind zomaar meer meestuurt op schoolreis.
De discussie riep bij mij een aantal vragen op. Wat is het doel van schoolreisjes? Zijn ouders officieel verplicht om hun kinderen met een schoolreisje mee te laten gaan? Hoe lang bestaan schoolreisjes eigenlijk al? En is daar wel eens onderzoek naar gedaan? Oftewel: welk licht kan de onderwijskunde hierover doen schijnen?
Een speurtocht in de bibliotheek leerde mij dat er eigenlijk geen onderzoek naar het fenomeen schoolreisjes bestaat. Er is wel wat Amerikaans onderzoek te vinden naar zogenaamde 'field trips' (excursies, uitstapjes naar musea, tentoonstellingen, fabrieken) maar niets over 'fun'-schoolreisjes naar speeltuinen en pretparken en dergelijke. Dat is opmerkelijk en een mooie opening voor onderwijskundig (en vrijetijdskundig) onderzoek. Voor deze bijdrage heb ik me dan ook maar voornamelijk gewend tot het overzicht van Nederlandse kranten en tijdschriften. Het overzicht van alle krantenberichten over schoolreisjes leverde een interessante geschiedenis op die vooral wordt gekenmerkt door discussies over de kosten ervan en door schoolreisjes die 'eindigden in een drama'.
De geschiedenis van schoolreizen is feitelijk onbekend: het Nationale Onderwijsmuseum dateert de oorsprong van klassenuitstapjes naar de 'naar buiten'-cultuur die eind negentiende eeuw door onderwijsvernieuwers als Jan Ligthart werd gepropageerd. Dat idee is, zoals veel onderwijshervormingen, te herleiden tot Rousseau's 'terug naar de natuur'-benadering van leren. Zeker is het allemaal niet. Wel duidelijk is dat het doel van uitstapjes met de klas rond de jaren 50 van de vorige eeuw was om:
  1. Stadskinderen met de natuur in aanraking te brengen. Dat doet me denken aan mijn vader die opgroeide in Amsterdam en lange tijd niet meer wist dan dat groenten en fruit bij de groentenman vandaan kwamen.
  2. Kinderen uit arme gezinnen de kans te geven om ook een uitstapje te maken naar plekken waar het gezin normaal niet genoeg geld voor had.
De vraag die je kunt stellen is of in het huidige tijdperk deze twee uitgangspunten nog wel opgaan. Ze worden dan ook als argument allang niet meer gebruikt. "Het zou geen kwaad kunnen eens diepgaand te brainstormen over de zin van schoolreisjes", aldus het schoolhoofd van een kleine basisschool in Willemstad, Zeeland. Hij zei dit in 2000, en het werd opgetekend door het Dagblad voor Zuidwest-Nederland. De reden? Het aantal schoolreisjes was aan het afnemen omdat gebleken was dat de leerlingen eigenlijk overal al geweest waren. Sterker: veel leerlingen waren op meer plaatsen geweest dan hun leerkrachten. Om die reden worstelen veel scholen jaarlijks met het vinden van een leuke en unieke locatie voor het schoolreisje. Pretparken worden soms door medezeggenschapraden als 'te saai, gewoontjes' afgeserveerd.
Tegenwoordig is het argument voor schoolreisjes geworden dat het goed is voor het sociale gevoel, en het fijn is om ook eens wat anders te doen buiten de school. De vraag is natuurlijk of dat een taak van de school is. Inmiddels zijn schoolreisjes in ieder geval big business. Vervoerders en bekende en minder bekende attractieparken halen er een flink deel van hun omzet vandaan, tot wel 30 procent. Na incidenten, en op momenten dat scholen wel erg dure trips plannen (zoals een meerdaagse stedentrip) komt de discussie op gang. Uit mijn analyse kwam naar voren dat dit ongeveer eens in de vier jaar gebeurt. Dat komt omdat er een natuurlijke golfbeweging lijkt te zitten onder de opzet van het schoolreisje: van 'basic' naar heel duur en weer terug. Opmerkelijk is dat het nooit de scholen zelf maar altijd ouders zijn die steen en been klagen over de kosten, en die ook het nut van (in hun ogen veel te dure) uitstapjes aan de kaak stellen. Een oproep van de Telegraaf in 2004 leidde tot veel reacties. Toen al fulmineerde een gefrustreerde ouder: "De economische teruggang lijkt niet geheel te zijn doorgedrongen in de hoofden van bepaalde leerkrachten". Eerder al, in 2002, bleek dat het vaak juist de kinderen uit arme gezinnen waren die niet mee mochten op schoolreisje: hun ouders konden of wilden de vrijwillige ouderbijdrage niet betalen. Al snel werd onder druk van de Vereniging Openbaar Onderwijs een code opgesteld om duidelijk te maken dat een vrijwillige bijdrage ook echt vrijwillig is en niet tot uitsluiting mag leiden.De leerplichtwet doet hier inmiddels ook een uitspraak over: een schoolreisje waarvoor je als ouder financieel moet bijdragen kan nooit verplicht zijn. En zodra een schoolreisje educatief is dan mag de school deelname wel verplichten, maar er geen bijdrage voor vragen!
Wat leren we van dit alles? De educatieve basis onder veel schoolreisjes lijkt tegenwoordig van ondergeschikt belang. Dat wisselt met het economisch tij: zodra het wat minder gaat worden schoolreisjes eenvoudiger en educatiever. Schoolreisjes dienen niet direct nut maar aan de andere kant: alle partijen zien het belang ervan in om ook eens wat anders te doen met de schoolklas. Tenslotte: de kinderen zelf kunnen er weken of zelfs maanden naartoe leven. De gevallen dat er iets misgaat, zelfs als de verantwoordelijke leerkracht is vergeten de bus te reserveren waardoor het schoolreisje op het allerlaatste moment in het water valt, halen dan ook niet voor niets de krant.